door acteursbureau Kapok

Status VI: Improviseren met status

geen afbeelding beschikbaar legenda

Hoe lang

duur:deze werkvorm heeft geen tijdsduur tijd naar keuze

Groepsgrootte

aantal deelnemers naar keuze aantal deelnemers naar keuze

Wie doet mee?

aantal deelnemers naar keuze groepsvorm naar keuze

Wat

Spelen met status: hoe een koning een voetveeg kan zijn en een voetveeg een koning

Voorbereiding

Neem uit een pak speelkaarten alle ruitenkaarten.

Hoe

Maak twee teams (A,B) en geef de volgende instructie:
Team A gaat als eerste, team B observeert en mogen gaan zitten als toeschouwers. Team A gaat een scène improviseren: de opening van de tentoonstelling van een belangrijke kunstenaar. Zijn laatste meesterwerk hangt hier boven de toeschouwers, zodat zij jullie gezichten kunnen zien als jullie spelen. Op deze opening lopen allerlei mensen rond: de galeriehouder, een museumdirecteur, beveiliging, de catering, schrijvende pers, de kunstenaar zelf, zijn moeder en misschien komt zelfs prinses Beatrix. Bedenk zelf wie je bent, maar hou dat voor jezelf tot de scène begint. Kies nu eerst je rol“

Team A

Als iedereen een rol gekozen heeft, geef je de vervolginstructie:
Voordat jullie de scene gaan spelen, krijg je van mij 3 dingen:

  1. een instructie
  2. een opdracht
  3. en een speelkaart

Je hebt een rol gekozen. Die ga je zo goed mogelijk spelen, maar met de statuspositie van de speelkaart die je zo direct trekt. We spreken af dat de Aas de hoogste status is en de 2 de laagste status. Als je dus een 2 trekt, ben je het minst belangrijk van alle aanwezigen op de opening, zelfs als jij de rol van Beatrix speelt. Dan ben je dus een prinses die erg opkijkt tegen alle andere aanwezigen. Zorg dat je je gedrag goed afstemt op wat je de andere bezoekers ziet doen: staat er iemand tussen die ook heel onbelangrijk lijkt, dan moet jij, als je een 2 hebt, zorgen dat jij je nog onbelangrijker maakt!
Het tegenovergestelde kan ook: als jij als bediende een Aas trekt, dan speel je die bediende alsof je de allerbelangrijkste persoon op dit feestje bent! En als je iemand tegenkomt in de scene die óók heel belangrijk doet, moet jij er nog een schepje bovenop doen.
Maar let op: het is lastiger als je een 7 hebt getrokken. Je bent dan niet heel belangrijk, maar je hebt ook weer niet de laagste status. Zorg door interactie met de andere spelers dat je je status goed neerzet.”
Check even of alle deelnemers duidelijk voor ogen hebben hoe ze de opdracht moeten uitvoeren. Daarna geef je de opdracht: Ik kom langs met de speelkaarten. Trek er één, maar zorg dat alleen jij ziet welke kaart het is. Als iedereen zijn kaart heeft begint de scene.”
Laat de deelnemers een tijdje spelen. Moedig ze aan met verschillende mensen de interactie te zoeken. Na ongeveer 5 minuten stop je de scène en vraag de spelers om nog niet te verklappen welke kaart ze hebben.

Nabespreken ronde 1

Vraag aan de observatoren om de spelers van Team A op volgorde te zetten, met uiterst links de speler waarvan de observatoren denken dat die de hoogste kaart heeft, en rechts de speler waarvan ze denken dat die de laagste kaart heeft. Vraag steeds aan de observatoren welk gedrag maakte dat ze iemand die positie willen geven. Dat levert waarschijnlijk wat onderlinge discussie op, neem daar wat tijd voor, maar zorg dat de energie erin blijft en de line-up toch vlot tot stand komt.
Als er min of meer consensus is bij de observatoren vraag je de spelers om hun kaart te laten zien. Als spelers niet op de goede plek in de line-up blijken te staan, bespreek je kort na hoe dat is gekomen. Bedank daarna de spelers van Team A, zeg dat zij nu observatoren worden en vraag Team B de spelvloer op te komen.

Team B

Geef Team B de volgende instructie:
Jullie gaan dezelfde situatie spelen, maar jullie krijgen een iets andere opdracht. Kies eerst een rol voor jezelf.”
Geef dat even tijd, en check of iedereen zover is.
Trek een kaart, maar bekijk hem NIET! Je weet dus bv wel dat je een museumdirecteur bent, maar je weet nog niet welke status je hebt. Houd de kaart tegen je borst zodat de andere spelers wel kunnen zien welke kaart jij hebt. Als je tijdens de scène iemand ontmoet zie je van die speler dus welke kaart/status die heeft. Ga die speler dan behandelen naar de waarde van die kaart: iemand met een 2 is je voetveeg, en iemand met een Aas is echt heel belangrijk. Maar let erop dat anderen jouw kaart zien, en jou behandelen naar de waarde van jouw kaart. Via die ander kom je er dus wel achter of die persoon jou belangrijk of onbelangrijk vindt. Probeer gedurende de scène te achterhalen wat jouw status is en ga je daarnaar gedragen.”

Check of alle deelnemers de opdracht snappen. Daarna laat je iedereen blind een kaart trekken en begint de scène. Na 5 minuten stop je de scène en geef direct de volgende opdracht: “Steek nu de kaart zonder te kijken even in je broekzak. Straks gaan jullie net als Team A zonder overleg een line-up maken, maar neem eerst even een moment om te bedenken welke mensen jou heel belangrijk vonden, – die hou je straks aan je linkerkant en welke mensen jou niet zo belangrijk maakten; die hou je straks aan je rechterhand. Na tien tellen mogen jullie gaan staan.” Als spelers niet op de goede plek in de line-up blijken te staan vraag je aan de observatoren van Team A hoe dat kan en wat ze hebben gezien in het afstemmen van de status tussen de spelers.

Nabespreken op

  • waarmee vergroot of verklein je je status?
  • hoe werken status en functie of rol op elkaar in?
  • is je status altijd hetzelfde of verandert dat? Wanneer?
  • wanneer heb je een hogere status? wanneer heb je een lagere status?

Leestip

Henk en Luuk Stultiens, Het fenomeen status – waarom we ons gedragen zoals we doen, Scriptum 2004, ISBN- 9055943738

Bron

anonymus

Deze werkvorm wordt u aangeboden door acteursbureau Kapok.