door acteursbureau Kapok

Hallo, hier ben ik

geen afbeelding beschikbaar legenda

Hoe lang

duur:10  min. 10 min.

Groepsgrootte

tot 12 deelnemers tot 12 deelnemers

Wie doet mee?

een op een 1 op 1

Wat

Inhouds - betrekkingsniveau; schakelen tussen communicatie-niveaus; aanloop naar feedback geven

Hoe

Deze oefening doe je in de hoefijzervorm
Repeteer eerst onderstaand dialoogje met de deelnemers:
Acteur: Hallo hier ben ik
Deelnemer: Ja, dat zie ik
Acteur: Oh, zie je dat?
Deelnemer: Ja.

Stap 1:

Leg uit dat de deelnemers alleen maar die tekst hoeven op te zeggen. De acteur stapt op een deelnemer af en voert het dialoogje -zowel verbaal als non-verbaal- met een duidelijke emotie: bang, boos, blij, bedroefd, verliefd, achterdochtig, etc. Bij iedere deelnemer speelt hij een andere emotie. De deelnemers antwoorden met hun tekst. De kans is groot dat ze 'aangestoken' worden door de emotie van de acteur en er ook emotie inleggen. Stop na 4 à 5 deelnemers en vraag wat er gebeurt. Mensen zullen dingen zeggen als: actie is reactie; gedrag roept gedrag op; je doet hetzelfde als wat de acteur doet, etc. Benoem dat iedereen dus feilloos en razendsnel opppikt wat er met de acteur aan de hand is, ook al zegt hij steeds dezelfde woorden.

Stap 2:

Idem als stap 1, maar vraag ze nu om met hun tekst de emotie van de acteur over te nemen: “Als de acteur zijn tekst boos zegt, zeg jij jouw tekst ook boos: Ja, dat zie ik!” Spreek dit rondje na op het verschil tussen inhouds- en betrekkingsniveau: blijkbaar zien we dus heel goed en heel snel wat er met de ander aan de hand is.

Stap 3:

Idem als stappen 1 en 2, maar nu doen de deelnemers iets anders! De acteur stapt op een deelnemer af en zegt zijn tekst weer met een duidelijke emotie. In plaats van te antwoorden met de vaste tekst, benoemt de deelnemer direct de emotie van de acteur, door een zin die begint met: “Het lijkt wel of je…..” Dus als de acteur boos op b.v. op hem afkomt en "Hallo, hier ben ik" zegt, antwoordt de deelnemer: “Het lijkt wel of je boos bent”. De acteur kan op 2 manieren reageren:
1. als de deelnemer het bij het juiste eind heeft, met: “Ja, dat klopt, maar waarom denk je dat? Waaraan zag je dat?”
2. als de deelnemer het niet bij het juiste eind heeft, met: “Boos? Nee, ik ben niet boos, waarom denk je dat? Wat deed ik dan?”
Hij vraagt de deelnemer steeds om het concrete gedrag te benoemen: “Wat deed ik dan”? Dit is kunstmatig, maar het werkt.

In ronde 3 laat je deelnemers oefenen met procesinterventies; het schakelen van inhouds- naar betrekkingsniveau. Bespreek het daarop na.

Nabespreken op

  • Verschil tussen inhouds en betrekkingsniveau; waar zit het in
  • De kracht van procesinterventies
  • Het belang van het benoemen van concreet gedrag in feedbackgesprekken

Bron

Lucia Bomert.

bladeren op alfabet
Deze werkvorm wordt u aangeboden door acteursbureau Kapok.